Door de ramen

16 Jan

Tegen de heuvel staat een huis. Er grazen ezeltjes op de helling, een kudde schapen holt rusteloos van het ene gras naar het andere. Paden vanuit de tuin verdwijnen via roestige hekken tussen de bomen, houden op, geven geen richting meer, laten je voor even verdwalen, verdwijnen.

De weg terug is altijd hetzelfde, naar beneden, naar dat huis tegen de helling. Er is een zwembad verborgen achter een hekje dat heel goed dicht kan. Er zwerft een poes die dutjes doet onder de tafel op het terras. Er kakelen kippen die je mag voeren met alles wat je zelf niet meer eet. Er hangen binnen schilderijen, er staan boeken over dieren en ruimtereizen, er liggen spelletjes uit andere levens. Er zijn luiken voor de ramen die dicht kunnen, maar altijd open blijven.

Zo kan je over de wereld kijken, vanaf de heuvel eindeloze velden zien, slingerende wegen, dorpjes dichtbij, steden in de verte aanwijzen. Je kan er in de wolken kijken, mist als druppels uiteen zien vallen, schaduwen volgen tot ze oplossen in de verte. Je kan de tijd zien verkleuren, de dag volgen tot voorbij de horizon, totdat de schemer landt. Zo kan je zien hoe de nacht de wereld bedekt.

Op de helling van de heuvel staat een huis. Misschien gaan we er wel weer heen, alleen maar om door de ramen te kijken.

Advertenties

Voorbij

9 Jan

In de auto op weg terug naar huis moet ze huilen. Afscheid nemen van fijne dagen, van tijd, maakt haar verdrietig. Geluidloos glijden de tranen over haar zachte wangen, verdriet om de dingen die voorbij gaan.

Ik troost haar en denk aan alle dagen die ik had willen houden, aan al die verstreken tijd. Voorbije dagen, verloren namen, al ben je ze niet kwijt. Ze zitten in de wind die van zee komt, in verse sneeuw die kraakt onder je voeten. In zeesterren en zandkastelen, in het winterkoninkje in de tuin, in vergeten liedjes die opeens op de radio zijn. Ze zitten in de avondzon, in de mist en de verkleurde confetti onder de kast. Ze liggen op de bospaadjes waar we renden, in de verhalen die we samen lazen en in de verre landen waar we ooit waren. Dingen die voorbij gaan vind je overal terug.

Dat vertel ik haar. Dat alles waar ze nu om huilt, voor altijd in haar hart zit. Ze kan er dus altijd bij. Ze lacht, door haar tranen heen. Buiten komt de wind van zee.

Engel

21 Dec

Er fietst een jongetje voorbij. Met luide stem  en lange uithalen zingt hij het Gloria, hij slingert met zijn fiets op de melodie.  Het is al donker, er is niemand op straat op de avond voordat de winter begint. Alleen hij en de wereld, alleen de wereld en hij.

En ik.

Als hij me ziet, stopt hij abrupt met zingen. Een betrapte glimlach verschijnt op zijn gezicht. Dan haalt hij diep adem en begint weer.

Glooooriaaaa.

Nog harder dan daarnet. Ik luister hoe de heldere klanken van zijn stem weerkaatsen tegen de stille huizen om ons heen. Ik luister en alles lijkt te vertragen. Alsof niet alleen ik, maar de hele wereld even tot stilstand komt en meeluistert naar dit lied, zo gezongen alsof er niemand luistert.

Ineens weet ik weer dat dát is hoe je moet zingen. Alsof er niemand luistert. Hoe je moet dansen, alsof er niemand kijkt. Hoe je moet leven, alsof je ertoe doet. Want dat doe je.

Als hij de hoek om is, blijf ik nog even staan. Steeds zachter klinkt zijn stem, het lied steeds verder weg. Er echoot een gloria in mijn oren, de huizen galmen nog wat na. Er fietste net een engel voorbij, een engel met een boodschap. Zomaar in de winternacht. Soms heb je geluk.

Zij en ik

8 Dec

Ze zwaait naar de regen,
voelt de wind op haar wangen, met haar ogen dicht.
Ze danst als ze muziek hoort, wiebelt zachtjes mee, klapt in haar handen.
Ze kijkt naar de dingen, voelt de wereld,
verdwijnt in mijn armen,
slaapt.

Zij zwaaien naar mij,
rennen door de regen, wangen in de wind.
Ze dansen, draaien rondjes, eindeloze rondjes.
Ze leren over de dingen, zien de wereld,
verdwijnen in verhalen,
en soms nog in mijn armen,
slapen.

En ik, ik kijk naar buiten, zwaai terug,
neurie een liedje,
vertel over de dingen,
verdwijn in hun verhalen,
houd hen in mijn handen
en waak.

Kusje

17 Nov

Ik heb heel veel schelpen, dus ik heb heel veel zee. Dat zachte ruisen in mijn oor, het zijn de golven die ik hoor. Ik heb een schelp in iedere zak, de zee gaat altijd mee.

Het is net als met een kusje, op je hoofd tegen verdriet. De pijn verdwijnt, het gaat wel weer, dat lukt een pleister niet. Of als een kaarsje dat je brandt, voor iemand die je mist. Die is ineens even dichtbij, alsof de dood zich heeft vergist.

Misschien is het allemaal niet echt, maar wie zegt dat dat niet mag? In je hart kan alles. Anders is een grijze dag gewoon een grijze dag.

Eiland

22 Okt

Met zakken vol zand en schelpen komen we terug. Het zwijgende licht van de vuurtoren glijdt langs de binnenkant van onze ogen als we slapen. In de verte klinken kinderstemmen, paardenhoeven, gegiechel in de nacht.

In onze slapende hoofden wapperen kleurige vliegerstrepen in de lucht, verdwijnen schepen in de mist op zee. Blote benen rennen door het water, een baby slaapt in de wind, er schijnt een rode zon op paden vol zand.

In onze dromen ademen we op het ritme van de wind, altijd de wind, overal wind. Het duingras wuift ons na, uit, er klappert een hekje, het hekje van het huisje waar we niet langer zijn.

We slapen, overal is de zee. We slapen en zijn op het eiland.

IMG_2674

Liefde

10 Okt

Jij bent
vroeger,
later, morgen,
jij bent gisteren en vandaag.
Jij bent croissantjes bij de koffie
als ik er niet om vraag.

Jij bent samen liedjes zingen,
blote voeten in het zand.
Jij bent de avond en de maan,
jij bent
wij samen
hand in hand.

Jij bent twee paar nieuwe schoenen,
een pen die het weer doet.
Jij bent regen die toch ophoudt,
jij bent alles
dat niet moet.

Jij past in mijn jaszak
of was het andersom?
Jij bent het midden van de zin
waar ik ooit aan begon.

Jij bent geneurie in de verte,
de zomer in een boek,
Jij bent de zee dichtbij
en het laatste stukje boterkoek.

O nee.

Jij mág het laatste stukje boterkoek.

Omdat
jij
het
bent.