Broekzakgesprek

17 Apr

Als ik zou passen in je broekzak,
ging ik overal mee naartoe.

Als je dan zou vallen
en
niemand zou het zien,

zou ik zachtjes tegen je fluisteren:

wees dapper
houd moed

ik zit in je broekzak
dus alles
komt wel goed.

Advertenties

Op woensdagmiddag

28 Mrt

Ze zit op circusles. Aan het einde van de les mogen we komen kijken, iedere week vijf minuten op lage bankjes langs de muur. Zodra de muziek aan gaat, waan ik me in een klein theatertje aan de rand van een Frans dorpje, ergens tussen de lavendelvelden. Buiten is het zomer, in de verte ruist de wind in hoge bomen.

Binnen maakt het gewone leven plaats voor verwondering, voor verbazing om wat je zomaar kan, balanceren op enorme ballen, fietsen op één wiel, ondersteboven in de gordijnen hangen met je armen los. Binnen vertraagt de tijd, we houden onze adem in, om de moed die we zien, om de durf die we voelen, om het theater waar we heel even bij horen.

De muziek wordt zachter, de vijf minuten zijn voorbij. Ik ben weer in de gymzaal aan een druk kruispunt richting de stad in de regen. Dag Franse zomerwind. Tot volgende week.

De dingen die je weet

13 Feb

Stil zit ze naast me in de auto en kijkt naar buiten. Alleen haar vingers bewegen, op het ritme van de voorbij glijdende lichtjes gaan ze omhoog en omlaag. Ze telt lantaarnpalen. In haar hoofd raakt ze ze één voor één heel even aan. Iedere week dezelfde weg, iedere week evenveel vingers, evenveel lichtjes.

Ze wil precies weten hoeveel ze er ziet. Ze houdt van dingen die ze kan weten, dat drie keer drie negen is, dat het licht van de maan van de zon komt, dat ze in de lente jarig is en dat er dan altijd aardbeien zijn. Ze houdt van dingen die gewoon zo zijn, die verschuiven niet, veranderen nooit. Ze geven je moed, kalmeren je hart, houden je rechtop als alles misschien wankelt.

Als ik het even niet meer weet, kijk ik naar de maan en denk aan de zon. Ik denk aan drie keer drie is negen en droom van aardbeien in de lente. Ik tel de lichtjes onderweg naar huis. In haar handen zijn het er 54.

Door de ramen

16 Jan

Tegen de heuvel staat een huis. Er grazen ezeltjes op de helling, een kudde schapen holt rusteloos van het ene gras naar het andere. Paden vanuit de tuin verdwijnen via roestige hekken tussen de bomen, houden op, geven geen richting meer, laten je voor even verdwalen, verdwijnen.

De weg terug is altijd hetzelfde, naar beneden, naar dat huis tegen de helling. Er is een zwembad verborgen achter een hekje dat heel goed dicht kan. Er zwerft een poes die dutjes doet onder de tafel op het terras. Er kakelen kippen die je mag voeren met alles wat je zelf niet meer eet. Er hangen binnen schilderijen, er staan boeken over dieren en ruimtereizen, er liggen spelletjes uit andere levens. Er zijn luiken voor de ramen die dicht kunnen, maar altijd open blijven.

Zo kan je over de wereld kijken, vanaf de heuvel eindeloze velden zien, slingerende wegen, dorpjes dichtbij, steden in de verte aanwijzen. Je kan er in de wolken kijken, mist als druppels uiteen zien vallen, schaduwen volgen tot ze oplossen in de verte. Je kan de tijd zien verkleuren, de dag volgen tot voorbij de horizon, totdat de schemer landt. Zo kan je zien hoe de nacht de wereld bedekt.

Op de helling van de heuvel staat een huis. Misschien gaan we er wel weer heen, alleen maar om door de ramen te kijken.

Voorbij

9 Jan

In de auto op weg terug naar huis moet ze huilen. Afscheid nemen van fijne dagen, van tijd, maakt haar verdrietig. Geluidloos glijden de tranen over haar zachte wangen, verdriet om de dingen die voorbij gaan.

Ik troost haar en denk aan alle dagen die ik had willen houden, aan al die verstreken tijd. Voorbije dagen, verloren namen, al ben je ze niet kwijt. Ze zitten in de wind die van zee komt, in verse sneeuw die kraakt onder je voeten. In zeesterren en zandkastelen, in het winterkoninkje in de tuin, in vergeten liedjes die opeens op de radio zijn. Ze zitten in de avondzon, in de mist en de verkleurde confetti onder de kast. Ze liggen op de bospaadjes waar we renden, in de verhalen die we samen lazen en in de verre landen waar we ooit waren. Dingen die voorbij gaan vind je overal terug.

Dat vertel ik haar. Dat alles waar ze nu om huilt, voor altijd in haar hart zit. Ze kan er dus altijd bij. Ze lacht, door haar tranen heen. Buiten komt de wind van zee.

Engel

21 Dec

Er fietst een jongetje voorbij. Met luide stem  en lange uithalen zingt hij het Gloria, hij slingert met zijn fiets op de melodie.  Het is al donker, er is niemand op straat op de avond voordat de winter begint. Alleen hij en de wereld, alleen de wereld en hij.

En ik.

Als hij me ziet, stopt hij abrupt met zingen. Een betrapte glimlach verschijnt op zijn gezicht. Dan haalt hij diep adem en begint weer.

Glooooriaaaa.

Nog harder dan daarnet. Ik luister hoe de heldere klanken van zijn stem weerkaatsen tegen de stille huizen om ons heen. Ik luister en alles lijkt te vertragen. Alsof niet alleen ik, maar de hele wereld even tot stilstand komt en meeluistert naar dit lied, zo gezongen alsof er niemand luistert.

Ineens weet ik weer dat dát is hoe je moet zingen. Alsof er niemand luistert. Hoe je moet dansen, alsof er niemand kijkt. Hoe je moet leven, alsof je ertoe doet. Want dat doe je.

Als hij de hoek om is, blijf ik nog even staan. Steeds zachter klinkt zijn stem, het lied steeds verder weg. Er echoot een gloria in mijn oren, de huizen galmen nog wat na. Er fietste net een engel voorbij, een engel met een boodschap. Zomaar in de winternacht. Soms heb je geluk.

Zij en ik

8 Dec

Ze zwaait naar de regen,
voelt de wind op haar wangen, met haar ogen dicht.
Ze danst als ze muziek hoort, wiebelt zachtjes mee, klapt in haar handen.
Ze kijkt naar de dingen, voelt de wereld,
verdwijnt in mijn armen,
slaapt.

Zij zwaaien naar mij,
rennen door de regen, wangen in de wind.
Ze dansen, draaien rondjes, eindeloze rondjes.
Ze leren over de dingen, zien de wereld,
verdwijnen in verhalen,
en soms nog in mijn armen,
slapen.

En ik, ik kijk naar buiten, zwaai terug,
neurie een liedje,
vertel over de dingen,
verdwijn in hun verhalen,
houd hen in mijn handen
en waak.